Wat meten doet met besluiten
We meten om beter te besluiten, zeggen we. Toch valt het besluit vaak ergens anders. Over hoe monitoring en evaluatie besluiten echt vormen, en wat helpt.
Voor goede doelen en stichtingen, vermogensfondsen en 2 meerSturingVerbeteringHoort bij
- Voor
- Goede doelen en stichtingen, Vermogensfondsen, Overheden, Duurzaamheid bij grote bedrijven
- Perspectief
- Sturing, Verbetering
- Fase
- Discussie, besluit & adoptie, Interpretatie & evaluatie, Intelligence-ontwerp
- Raamwerken en methodes
- Verandertheorie (ToC), Developmental evaluation, Participatieve evaluatie en actieonderzoek, Corporate Sustainability Reporting Directive (CSRD)
- Trefwoorden
- Evaluatie, Indicatorenset
Waarom meet je wat je werk verandert? Het meest gehoorde antwoord is: om betere besluiten te nemen. Een bestuur, een fonds of een directie wil weten wat werkt, en daarop sturen. Toch belanden veel rapportages in een la. Het besluit valt ergens anders, om andere redenen.
Betekent dat dat meten niets doet met besluiten? Nee. Het doet er veel mee, maar zelden op de manier die je verwacht. In dit stuk kijken we hoe impactmanagement besluiten vormt. Daarmee bedoelen we ook de bredere praktijk van monitoring, evaluatie, verantwoording en leren. Soms helpt het. Soms stuurt het besluiten een kant op die niemand bewust koos.
De belofte
Het eenvoudige beeld gaat zo. Je verzamelt gegevens, je analyseert ze en je kiest de beste optie. Kennis gaat erin, een besluit komt eruit. Veel handboeken voor monitoring en evaluatie gaan uit van dit beeld. De cyclus van plannen, uitvoeren, controleren en bijsturen ook.
In 1947 beschreef de Amerikaanse econoom Herbert Simon dat het zo niet werkt. Mensen hebben beperkte tijd, beperkte informatie en beperkte aandacht. Ze zoeken niet de beste oplossing, maar een oplossing die goed genoeg is. Later gaf hij dat de naam begrensde rationaliteit. Voor zijn werk over besluitvorming kreeg hij in 1978 de Nobelprijs voor economie.
Hoe besluiten echt vallen
In 1959 beschreef de politicoloog Charles Lindblom hoe overheden in de praktijk beslissen. Ze doen kleine stappen vanaf wat er al is. Ze vergelijken een paar opties, niet alle. Hij noemde dat doormodderen, muddling through. Dat klinkt slordig, maar het is vaak verstandig. Kleine stappen kun je terugdraaien.
In 1972 gingen drie onderzoekers nog verder: Michael Cohen, James March en Johan Olsen. Ze vergeleken besluitvorming in sommige organisaties, zoals universiteiten, met een vuilnisbak. Problemen, oplossingen, mensen en momenten komen er los van elkaar in terecht. Een besluit valt als ze toevallig samenkomen. Een oplossing zoekt soms een probleem, in plaats van andersom.
Wat betekent dat voor meten? Een evaluatie komt zelden op precies het juiste moment bij precies de juiste persoon. Wie wil dat kennis meetelt, moet weten wanneer er besloten wordt, en door wie.
Drie manieren waarop kennis doorwerkt
De Amerikaanse onderzoeker Carol Weiss bestudeerde decennia hoe beleidsmakers onderzoek gebruiken. Uit haar werk komen drie vormen die evaluatoren nog steeds gebruiken.
De eerste is direct gebruik. Een evaluatie laat zien dat een programma niet werkt, en het bestuur stopt ermee. Dit is wat je meestal verwacht. Het gebeurt minder vaak dan je denkt.
De tweede is conceptueel gebruik. Weiss sprak van verlichting. Kennis verandert langzaam hoe mensen over een probleem denken. Niemand kan het moment aanwijzen, maar na een paar jaar praat een sector anders over armoede, eenzaamheid of klimaat. Volgens Weiss komt deze vorm het vaakst voor.
De derde is symbolisch gebruik. Een rapport dient om een besluit te rechtvaardigen dat al genomen was. Of om te laten zien dat je zorgvuldig werkt. Dat is niet altijd verkeerd, maar je moet het herkennen.
De evaluator Michael Quinn Patton voegde er nog een vierde vorm aan toe: het gebruik van het proces zelf. Mensen die samen een verandertheorie maken of samen resultaten duiden, gaan anders werken. Ook als het rapport nooit iemand bereikt.
Wat je meet, krijgt aandacht
Meten vormt besluiten ook op een minder zichtbare manier. Wat je meet, krijgt aandacht. Wat je niet meet, verdwijnt naar de achtergrond. Een bestuur dat elke maand het aantal deelnemers ziet, gaat over deelnemers praten. Wat er voor die deelnemers veranderde, komt minder vaak op tafel.
De Amerikaanse onderzoeker Donald Campbell schreef in 1979 dat een getal onder druk komt als het wordt gebruikt voor besluiten. Het gaat dan het gedrag vormen dat het zou meten. Een organisatie die wordt afgerekend op het aantal trajecten, start meer trajecten. Een korte, makkelijke vorm van hulp telt dan even zwaar als een lange en lastige.
Ook de tijd verschuift. Wat snel zichtbaar is, wint van wat traag gaat. Een effect dat pas na vijf jaar te zien is, past slecht in een jaarlijkse rapportage. Daardoor kiest een fonds of een gemeente sneller voor wat zich laat tellen.
De Britse onderzoeker Michael Power noemde dat in 1997 de auditsamenleving. Organisaties gaan besluiten nemen die goed te verantwoorden zijn, in plaats van besluiten die goed zijn. Een besluit dat je met een cijfer kunt onderbouwen, voelt veilig. Een besluit op basis van ervaring of een gesprek voelt kwetsbaar. Ook als het beter is.
Wie er aan tafel zit
Meten verandert ook wie meebeslist. Wie de gegevens heeft, heeft een sterke stem. Dat is vaak de financier, de analist of het hoofdkantoor. De deelnemer of bewoner om wie het gaat, zit zelden aan tafel als de cijfers worden besproken.
Dat kan anders. Bij participatieve methoden duiden deelnemers zelf mee wat de resultaten betekenen. Een fonds kan een ontvanger vragen wat die zelf wil leren, in plaats van alleen indicatoren op te leggen. Dan wordt de rapportage een gesprek, geen controle.
Ook bij bedrijven speelt dit. Met een materialiteitsanalyse bepaalt een bedrijf welke onderwerpen ertoe doen: voor het bedrijf zelf, en voor de mensen en de omgeving die het raakt. Wie daarvoor gevraagd wordt, bepaalt mee waar het bedrijf op stuurt. Sinds het Omnibus-pakket van 2026 geldt de Europese verslagplicht, de Corporate Sustainability Reporting Directive (CSRD), voor minder bedrijven. De vraag wie meepraat over wat belangrijk is, blijft.
Op tijd, of te laat
Een veelgehoorde klacht is dat de evaluatie te laat komt. Het nieuwe programma is al ontworpen, de subsidie al aangevraagd. Het rapport bevestigt dan wat het team al dacht, of het verdwijnt in de la.
Bij de overheid is dat niet anders. Een beleidsevaluatie laat soms pas zien dat een maatregel niet doeltreffend was als de minister al een nieuwe heeft aangekondigd.
Daarom kiezen sommige organisaties voor vormen die meelopen met het werk. Patton noemde dat ontwikkelingsgerichte evaluatie: de evaluator werkt mee terwijl het werk nog verandert. Je leert dan onderweg, op het moment dat er nog iets te kiezen valt.
Dat vraagt wel dat je de besluitmomenten kent. Wanneer vergadert het bestuur over het vervolg? Wanneer stelt de raad de begroting vast? Wanneer beslist het fonds over een nieuwe toekenning? Wie dat weet, kan de kennis daar laten landen.
Wat helpt
Tot slot een paar lessen die je morgen kunt gebruiken.
Begin bij het besluit, niet bij de meting. Vraag eerst welke besluiten er het komende jaar vallen, en welke kennis daarbij zou helpen.
Vraag welke uitkomst je van gedachten zou doen veranderen. Als geen enkele uitkomst het besluit verandert, is meten voor dit besluit niet nodig.
Meet weinig, maar goed. Een paar indicatoren die echt besproken worden, zeggen meer dan een dashboard dat niemand opent.
Combineer cijfers met verhalen. Een getal laat zien hoeveel. Een verhaal laat zien waarom, en wat het betekent voor iemand.
Houd bij wat je met een bevinding deed. Een eenvoudig logboek van bevinding naar besluit maakt zichtbaar of kennis doorwerkt. Ook als het antwoord is dat je bewust iets anders deed.
Laat ruimte voor oordeel. Een cijfer voedt een besluit. Het neemt het niet. Mensen beslissen, met redenen die ze kunnen uitleggen.
Wat blijft
Meten maakt besluiten niet vanzelf beter. Het verandert wel waar je naar kijkt, wie er meepraat en wat veilig voelt. Die invloed is vaak groter dan die van het rapport zelf. Wie dat weet, kan meten zo inrichten dat het helpt om goed te kiezen. Begin daarom bij de vraag welk besluit je wilt nemen, en wat je daarvoor moet weten.
Bronnen (2)
The more any quantitative social indicator is used for social decision-making, the more subject it will be to corruption pressures and the more apt it will be to distort and corrupt the social processes it is intended to monitor.
p. 85 - Bron
- Assessing the impact of planned social change
- Uitgever
- Donald T. Campbell, Evaluation and Program Planning 2(1)
- Datum
- 1979
- Geraadpleegd
- 22 oktober 2026
- Status
- GecontroleerdWe lazen de bron zelf en namen er een letterlijk citaat uit over.
- Bron
- Richtlijn (EU) 2026/470 (Omnibus I), wijziging van de CSRD en de CSDDD
- Uitgever
- Europees Parlement en Raad van de Europese Unie
- Datum
- 26 februari 2026
- Geraadpleegd
- 21 oktober 2026
- Status
- Nog niet gecontroleerdDe bron staat in ons register, maar we namen er nog geen citaat uit over.
