Special · Longread
Zeventig jaar impactmanagement
Van een vraag over goede bedoelingen tot Europese regels die weer krimpen. De geschiedenis van impactmanagement, de praktijken die erin samenkomen, waar de standaarden vandaan komen en waarom normeren schuurt. Met bij elke stap de bron.
16 min leestijd
2025–2026· 352 raamwerken op het pad
Impactmanagement klinkt als een vak van de laatste tien jaar. De vraag erachter is veel ouder. Wat verandert er door ons werk, en voor wie? Al zeventig jaar zoeken bedrijven, overheden en organisaties naar een antwoord. Ze vonden steeds nieuwe woorden, nieuwe cijfers en nieuwe regels.
Dit is die geschiedenis, met bij elke stap de bron. Eerst volgen we de tijd, van de jaren vijftig tot nu. Daarna volgen we de praktijken die in het vak samenkomen, zoals rivieren in een delta. Dan kijken we waar al die standaarden vandaan komen en in welke taal ze zijn bedacht. Aan het eind staan we stil bij een spanning die bij het vak hoort, het normeren, en bij de tegenwind van nu.
1950–1971
Eerst de vraag
In 1953 vroeg de Amerikaanse econoom Howard Bowen wat een onderneming de samenleving verschuldigd is. Lang bleef dat een gesprek over goede bedoelingen. Wie iets wilde weten over resultaat, keek vooral naar geld.
Intussen groeiden twee praktijken die later belangrijk werden. In fabrieken leerden managers hun werk te meten en te verbeteren. De Amerikaanse statisticus W. Edwards Deming bracht die aanpak vanaf 1950 naar Japan. Daar werd kwaliteit een vaste cyclus: plannen, uitvoeren, controleren en bijsturen. In 1954 gaf Peter Drucker het sturen op doelen een naam: management by objectives.
De kritiek kwam bijna meteen. In 1956 liet de onderzoeker V. F. Ridgway zien dat prestatiecijfers het gedrag veranderen dat ze moeten meten. Mensen gaan werken voor het getal, niet voor het doel erachter. De waarschuwing kwam dus twee jaar na Druckers boek.
De andere praktijk was de ontwikkelingssamenwerking. Rijke landen gaven steeds meer geld aan arme landen en wilden weten wat het opleverde. In 1961 richtte de OESO daarvoor een commissie op, het Development Assistance Committee (DAC). In 1969 ontwierp een adviesbureau voor de Amerikaanse overheid het logical framework. Die tabel met doelen, resultaten, indicatoren en aannames gebruiken veel organisaties nog steeds.
In datzelfde jaar publiceerde Sherry Arnstein haar ladder van burgerparticipatie. Onderaan staat manipulatie, bovenaan zeggenschap. Zo verschenen in één jaar twee instrumenten met een heel andere blik. Het logframe kijkt vanuit de financier naar een project. De ladder kijkt vanuit de mensen om wie het gaat.
Begin 1970 kwam er in de Verenigde Staten een wet die een milieueffectrapport vroeg voor grote overheidsprojecten. Je moest vooraf laten zien wat een project met de omgeving doet. Dat idee reisde daarna naar veel andere landen.
1972–1991
Plannen, tellen, verbeteren
In 1972 liet de Club van Rome met een computermodel zien dat groei op een eindige planeet grenzen heeft. In dezelfde jaren begonnen bedrijven met een sociaal jaarverslag. Ze schreven op wat ze voor medewerkers en hun omgeving deden. In Frankrijk werd zo’n verslag in 1977 verplicht voor grote bedrijven.
In 1987 gaf een commissie van de Verenigde Naties duurzaamheid een definitie die nog steeds wordt gebruikt. Voorzien in wat we nu nodig hebben, zonder dat latere generaties tekortkomen. In datzelfde jaar verscheen ISO 9001, de norm voor kwaliteitsmanagement. Nu kon een buitenstaander met een certificaat verklaren dat een organisatie haar processen op orde had.
Die gedachte uit de kwaliteitszorg werkt nog steeds door. Een managementsysteem, een audit en een certificaat vormen samen de basis van veel latere standaarden. Denk aan ISO 14001 voor milieu en aan de keurmerken voor hout, koffie en kleding. Ook het EFQM-model uit 1991 en de balanced scorecard uit 1992 komen uit deze hoek. Ze leerden organisaties om meer te meten dan alleen winst.
Intussen werd evaluatie een eigen vak, met beroepsverenigingen en eigen normen. In 1991 legde de DAC de criteria vast waarmee je een programma beoordeelt. Het gaat om relevantie, doeltreffendheid, doelmatigheid, impact en duurzaamheid. Veel financiers vragen er nog steeds naar.
1992–2005
Dan de cijfers
In de jaren negentig werd duurzaamheid iets wat je kon tellen. In 1997 begon in Boston het Global Reporting Initiative. Dat werk leidde in 2000 tot de eerste richtlijnen voor een duurzaamheidsverslag. Naast het financiële jaarverslag kwam zo een tweede verslag, met een eigen standaard.
In 1994 verscheen in Zuid-Afrika het eerste King-rapport over goed bestuur. Latere versies vroegen bedrijven om financiële en maatschappelijke informatie samen te brengen. Zo was Johannesburg een van de eerste plekken waar geïntegreerd rapporteren vorm kreeg.
In 2000 zette de VN acht millenniumdoelen voor 2015. Voor het eerst had de wereld een gedeelde lijst met doelen. Ook kon je impact nu in geld uitdrukken, met social return on investment. In 2001 verscheen het GHG Protocol, de standaard om uitstoot van broeikasgassen te tellen.
In de ontwikkelingssamenwerking ontstond een tegenbeweging. In de jaren negentig ontwikkelde Rick Davies in Bangladesh de methode Most Significant Change. Deelnemers vertellen daarin zelf welke verandering voor hen het belangrijkst was. Het Canadese International Development Research Centre publiceerde in 2001 outcome mapping, dat kijkt naar hoe het gedrag van partners verandert.
Uit de geneeskunde kwam een heel andere aanpak: het experiment met een controlegroep. Vanaf 2003 bracht een lab van MIT die methode naar de strijd tegen armoede. En in 2005 spraken donoren en ontvangende landen in Parijs af om meer op resultaten te sturen.
2006–2014
Geld zoekt impact
Na 2005 kwamen beleggers in beweging. In 2006 lanceerde de VN de Principles for Responsible Investment. Een jaar later kreeg een nieuwe manier van beleggen een naam: impact investing. Je zoekt dan bewust rendement én maatschappelijk effect.
In 2009 begon het Global Impact Investing Network, met IRIS als gedeelde set indicatoren. ISO 26000 gaf in 2010 richtlijnen voor maatschappelijk verantwoord ondernemen. In 2011 volgden de VN-richtlijnen voor bedrijven en mensenrechten. In 2014 vroeg de Europese Unie grote bedrijven voor het eerst om niet-financiële informatie.
Andere landen kozen een andere weg. Mauritius verplichtte bedrijven in 2009 om een deel van hun winst aan maatschappelijke doelen te besteden. India vroeg dat vanaf 2014 bij wet van grote bedrijven. Daar ging het niet om een verslag, maar om geld voor projecten.
Ook in de evaluatie klonk een ander geluid. In 2007 kwamen Afrikaanse evaluatoren in Niamey samen onder de noemer Made in Africa. Ze vroegen om evaluatie die uitgaat van Afrikaanse waarden en kennis. Een jaar later begon het International Aid Transparency Initiative. Veel donoren publiceren sindsdien in één open standaard wat ze uitgeven en waaraan.
2015–2021
Een gedeelde taal
In 2015 sprak de wereld twee keer iets af. In september kwamen de zeventien duurzame ontwikkelingsdoelen, in december het klimaatakkoord van Parijs. Vanaf dat jaar konden organisaties hun werk aan dezelfde doelen koppelen.
Daarna ging het om de vraag hoe je impact vergelijkt. Vanaf 2016 bracht het Impact Management Project honderden organisaties samen rond vijf dimensies van impact. In 2019 kwamen de Operating Principles for Impact Management voor beleggers. Europa maakte tegelijk eigen regels voor duurzaam geld: de SFDR in 2019 en de EU-taxonomie in 2020.
Ook de makers van standaarden zochten elkaar op. In 2020 beloofden vijf grote organisaties samen te werken, waaronder het Global Reporting Initiative en CDP. In 2021 kondigde de IFRS Foundation in Glasgow een nieuwe standaardzetter aan: de International Sustainability Standards Board (ISSB). In 2022 gingen de Climate Disclosure Standards Board en de Value Reporting Foundation op in de IFRS Foundation. Zo kwamen ook de SASB-standaarden en het raamwerk voor geïntegreerd rapporteren onder één dak.
Toch is één taal nog ver weg. In 2022 vergeleken onderzoekers van MIT de duurzaamheidsscores van zes grote bureaus. Die bureaus gaven hetzelfde bedrijf vaak een heel ander oordeel. In 2024 legden Europa en de ISSB hun standaarden naast elkaar. Dat leverde een gids op die per onderwerp zegt wat overeenkomt. Eén standaard werd het niet.
Ook elders kwamen er eigen regels. India introduceerde in 2021 de BRSR, een verslag over verantwoord en duurzaam ondernemen voor de grootste beursbedrijven. In datzelfde jaar maakten de landen van Zuidoost-Azië een eigen taxonomie voor duurzame financiering.
2022–2024
Van vrijwillig naar verplicht
Tot dan toe was bijna alles vrijwillig. Dat veranderde snel. In 2022 nam de Europese Unie de CSRD aan, de richtlijn voor duurzaamheidsverslagen. In 2023 volgden de Europese verslagstandaarden, de ESRS, en de eerste wereldwijde standaarden van de ISSB.
In 2024 kwam de CSDDD, over gepaste zorg in de keten. Voor het mkb verscheen een vrijwillige standaard, de VSME. Aan het eind van dat jaar publiceerde ook China een basisstandaard voor duurzaamheidsinformatie. In dertig jaar was de alfabetsoep flink gegroeid.
310
raamwerken, standaarden en regels uit onze lijsten zijn van na 1990
1950–2026
Een vak van vele rivieren
Impactmanagement is geen vak met één begin. Het is een delta waar veel rivieren samenkomen. Ontwikkelingssamenwerking, evaluatie, participatie, kwaliteitszorg, overheidsbeleid, verslaggeving, beleggen, het prijzen van waarde en milieubeleid hebben elk hun eigen bron. Ook mensenrechten, keurmerken, de sociale economie en het denken over welvaart stromen erin. Elk raamwerk kreeg één rivier: de traditie waarin de makers werkten.
Elke rivier bracht iets anders mee. Uit de kwaliteitszorg kwamen de cyclus van verbeteren en de audit. Uit de evaluatie kwam de vraag of het verschil echt door jouw werk komt. Uit de verslaggeving kwamen het jaarverslag, de materialiteit en de accountant. En uit de ontwikkelingssamenwerking kwamen het logframe en de DAC-criteria.
Er stroomden ook kleinere rivieren in die je minder ziet. Kurt Lewin beschreef in 1947 hoe groepen veranderen: losmaken, in beweging brengen en weer vastzetten. Veel verandermanagement bouwt daar nog op voort. In 2011 schreven John Kania en Mark Kramer over collective impact. Zij keken niet naar één project, maar naar alle partijen in een regio of sector die samen één probleem aanpakken.
Nederland heeft een eigen zijrivier: het transitiedenken. Onderzoekers als Jan Rotmans, René Kemp en Frank Geels beschreven rond 2000 hoe grote systemen veranderen. Zo’n verandering duurt tientallen jaren, geen projectperiode. De overheid nam dat denken in 2001 over in het vierde Nationaal Milieubeleidsplan. In 2004 begon in Rotterdam het Dutch Research Institute for Transitions.
Elke rivier heeft ook zijn eigen woorden. Een evaluator zegt effect, een belegger zegt rendement, een accountant zegt zekerheid. Dat verklaart een deel van de alfabetsoep. Dat deel komt niet door slechte afstemming. Het komt door herkomst.
1950–2026
Een prijs op waarde
Een van de rivieren probeert waarde in geld uit te drukken. Dat is een oude wens. Een getal in euro’s past in een begroting en een jaarverslag. Het maakt vergelijken makkelijk.
In 1988 liet de Nieuw-Zeelandse econoom Marilyn Waring zien wat er dan buiten beeld valt. In haar boek Counting for Nothing toonde ze dat onbetaald werk niet meetelt in het bruto binnenlands product. Vooral het werk van vrouwen verdwijnt zo uit de cijfers. Wat geen prijs heeft, lijkt geen waarde te hebben.
Toch ging het prijzen door. In 1997 schatten onderzoekers rond Robert Costanza de waarde van de natuur op 16 tot 54 biljoen dollar per jaar, gemiddeld 33 biljoen. In 2009 verscheen op verzoek van de Franse regering een rapport van Joseph Stiglitz, Amartya Sen en Jean-Paul Fitoussi. Zij keken verder dan het bruto binnenlands product. Daarna volgden het Natural Capital Protocol in 2016 en de impact-weighted accounts van Harvard in 2019.
Die methoden maken veel zichtbaar. Ze laten zien welke kosten een bedrijf afwentelt op mensen en natuur. Maar de uitkomst hangt sterk af van de prijzen die je kiest. Twee berekeningen voor hetzelfde programma kunnen ver uit elkaar liggen. En een getal in euro’s verbergt vaak wie de keuzes maakte.
1950–2026
Wie wordt er gemeten?
Eén rivier zie je makkelijk over het hoofd. Ze gaat over de mensen om wie het draait. Bij veel metingen zijn zij de bron van de cijfers, maar niet de eigenaar. Ze vullen vragenlijsten in, maar lezen het rapport zelden. Verantwoording gaat omhoog, naar de financier. De data komt van onderen.
Daar kwam al vroeg verzet tegen. In 1997 vroeg Robert Chambers in zijn boek Whose Reality Counts? wiens werkelijkheid eigenlijk telt. Hij pleitte voor methoden waarin mensen zelf hun situatie in kaart brengen. In 2001 waarschuwden Bill Cooke en Uma Kothari dat ook participatie een vorm van macht kan worden. Wie het gesprek leidt, bepaalt wat er gezegd wordt.
In de jaren daarna groeide een beweging rond feedback. Organisaties vroegen de mensen met wie ze werken om een oordeel, net zoals een bedrijf zijn klanten vraagt. Inheemse onderzoekers gingen verder. Met de CARE-principes vroegen ze in 2019 om zeggenschap over data over hun eigen gemeenschap.
Dat raakt aan een oude vraag. Is iemand een deelnemer, een rechthebbende of een datapunt? Het antwoord bepaalt wie het verhaal mag vertellen. En het bepaalt of een meting iets teruggeeft aan de mensen die haar mogelijk maakten.
1950–2026
Zekerheid en de accountant
Toen duurzaamheid in het jaarverslag kwam, kwam ook de accountant. Die moest zeggen of de informatie klopt. Daarvoor bestond al een standaard voor opdrachten buiten de jaarrekening, ISAE 3000 uit 2003. In 2024 keurde de internationale standaardzetter voor accountants daarnaast ISSA 5000 goed, speciaal voor duurzaamheidsinformatie.
Er zijn twee niveaus van zekerheid. Bij beperkte zekerheid zegt de accountant dat er niets is gezien wat erop wijst dat de informatie niet klopt. Bij redelijke zekerheid zegt de accountant dat de informatie in alle belangrijke opzichten klopt. Onder de CSRD is beperkte zekerheid genoeg.
De Britse onderzoeker Michael Power sprak in 1997 al van een auditsamenleving. Organisaties richten hun werk zo in dat het te controleren is. Dat geeft zekerheid, maar het kost ook iets. Een datapunt dat een accountant kan toetsen, is niet altijd het punt dat een deelnemer belangrijk vindt. En de grote kantoren die zekerheid geven, verdienen ook aan advies over zulke verslagen.
1950–2026
Waar de regels vandaan komen
Tot nu toe volgden we de tijd en de rivieren. Kijk je naar de plek, dan zie je iets anders. Voor elk raamwerk in onze lijsten zochten we uit waar het is gemaakt. Het gaat om de alfabetsoep, de referentiedata van Fabrik en een paar namen uit dit artikel. Samen zijn dat 284 namen.
Bij een organisatie telt de stad van het hoofdkantoor, toen het raamwerk verscheen. Bij een methode telt waar de makers werkten, bij een verdrag de stad waar het werd gesloten. Europese regels tellen we bij Brussel.
Het beeld is duidelijk. Bijna alles komt uit Europa en Noord-Amerika. Met het Westen bedoelen we Europa, Noord-Amerika, Australië en Nieuw-Zeeland. De Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk leveren samen bijna de helft. Nederland staat hoog, maar dat zegt vooral iets over onze eigen blik. We kennen de Nederlandse regels nu eenmaal beter.
Een kaart is nooit neutraal. Veel wereldkaarten tekenen Europa en Noord-Amerika groter dan ze zijn. Daarom gebruiken we de Winkel-tripelprojectie. Die houdt oppervlak, richting en afstand alle drie zo dicht mogelijk bij de werkelijkheid. Op die kaart zie je hoe klein het gebied is waar bijna alles vandaan komt. Europa is zo vol dat we het vergroot naast de kaart tonen.
1950–2026
Gedacht in het Engels
Bijna zeven op de tien raamwerken verschenen eerst in het Engels. Dat geldt ook voor veel standaarden uit Nederland, Zwitserland of Zweden. Wie wil dat een standaard wereldwijd wordt gebruikt, schrijft hem in de taal van beleggers en internationale organisaties.
Dat heeft gevolgen voor de praktijk. Woorden als accountability, outcome en materiality hebben geen precieze Nederlandse vertaling. Een vertaling komt vaak pas als een standaard al klaar is. Wie geen Engels spreekt, doet dus minder makkelijk mee aan een consultatie over een nieuwe versie. Kennis die niet in het Engels is opgeschreven, telt minder snel mee.
Europese regels zijn een uitzondering. Ze verschijnen tegelijk in alle talen van de Unie. Mede daardoor daalt het aandeel Engels sinds 2010. Het zwaartepunt van de regels schuift van Londen en Washington naar Brussel. Maar dat is nog steeds het Westen.
194
standaarden uit onze lijsten verschenen eerst in het Engels
1950–2026
Het zwaartepunt schuift, langzaam
Van de 284 standaarden komen er 17 van buiten het Westen. Dat is zes procent. Vijf daarvan staan hier alleen omdat we ze voor dit artikel zelf hebben toegevoegd. In de alfabetsoep en de referentiedata van Fabrik ontbraken ze. Kaupapa Māori-evaluatie uit Nieuw-Zeeland voegden we ook toe, maar die telt hier als westers, omdat we per land tellen.
Kijk je verder dan de standaarden, dan verandert de kaart. Voor Fabrik verzamelden de makers ook bronnen uit de praktijk, in veel talen. Daarin vonden we nog 72 raamwerken, wetten en methoden. Bijna de helft daarvan, 35, komt van buiten het Westen. Twee op de drie verschenen eerst in een andere taal dan het Engels.
Denk aan Buen Vivir in de grondwet van Ecuador, Gross National Happiness in Bhutan en het graduation-model van BRAC in Bangladesh. Of aan de wetten voor de sociale economie in Zuid-Korea, Ecuador en Uruguay. Zuid-Afrika liep met de King-rapporten voor op geïntegreerd rapporteren. India maakt sinds 2021 eigen regels voor duurzaamheidsinformatie, China sinds 2024 en Japan sinds 2025.
Buiten het Westen wordt dus volop genormeerd. Maar die normen worden zelden een wereldwijde standaard. Een lijst met raamwerken laat zien wie gehoord wordt, niet wie er iets te zeggen heeft. Dat nemen we mee als we onze lijsten bijwerken.
35
raamwerken uit de bronnen van Fabrik komen van buiten het Westen
1950–2026
Waarom normeren schuurt
Impactmanagement heeft een spanning in zich. Impact gaat over verandering voor mensen en hun omgeving, en die verschilt per plek. Een standaard wil juist dat je overal op dezelfde manier meet. Zonder norm kun je niets vergelijken. Met een norm loop je het risico dat je meet wat past, en mist wat ertoe doet.
Die spanning is niet nieuw. Na Ridgway in 1956 schreef de Britse econoom Charles Goodhart in 1975 iets vergelijkbaars. Een statistisch verband valt vaak weg zodra je erop gaat sturen. De Amerikaanse onderzoeker Donald Campbell schreef er in 1979 over. Hoe meer een getal wordt gebruikt voor beslissingen, hoe meer het onder druk komt te staan. Het getal gaat dan het gedrag vormen dat het zou meten.
In 1995 liet de historicus Theodore Porter zien dat getallen vooral vertrouwen winnen waar mensen elkaar niet kennen. Een standaard vervangt dan het oordeel van wie de situatie kent. Wendy Espeland en Mitchell Stevens beschreven in 1998 wat er gebeurt als je ongelijke dingen op één schaal zet. Ze lieten zien dat er dan iets verloren gaat dat niet in de maat past.
Normeren is daarom ook een vraag van macht. Wie de standaard schrijft, bepaalt welke verandering telt en hoe je die bewijst. Zolang die schrijvers vooral uit een paar landen komen, past de norm het best bij hun praktijk. Methoden als Most Significant Change en Made in Africa zijn ook een antwoord daarop. Ze vragen wie mag zeggen wat een verandering waard is.
Er is nog een kant van macht: wie betaalt de invoering? Een standaard schrijven is goedkoper dan hem goed gebruiken. Wie geen geld heeft voor scholing, data en controle, kan de norm vaak alleen afvinken. Van leren komt het dan niet. Dan wordt een raamwerk een formulier.
Dat betekent niet dat je zonder standaarden moet werken. Een gedeelde taal maakt samenwerken makkelijker. Ze helpt een financier, een directie of een beleidsmaker om te vergelijken. Het betekent wel dat je een standaard gebruikt als hulpmiddel. Houd daarbij het eigen verhaal van je werk in het oog.
2022–2026
Tegenwind
Rond 2022 sloeg de wind om. In de Verenigde Staten dienden politici in tientallen staten wetsvoorstellen in tegen duurzaam beleggen. De Amerikaanse beurstoezichthouder nam in 2024 een regel voor klimaatinformatie aan. Een jaar later stopte hij met het verdedigen ervan bij de rechter.
Bedrijven reageerden op twee manieren. Sommige zeiden minder over hun doelen. Ze waren bang voor kritiek van twee kanten: dat ze te weinig deden, of dat ze aan politiek deden. Die stilte kreeg een naam: green hushing. Andere bedrijven gingen juist door, omdat klanten, financiers en medewerkers ernaar bleven vragen.
In 2026 draaide ook Europa een deel terug. Met het Omnibus-pakket geldt de CSRD alleen nog voor de grootste bedrijven. Ze hebben meer dan 1.000 medewerkers en meer dan € 450 miljoen omzet. Veel organisaties die zich voorbereidden, hoeven nu geen verslag te maken.
2025–2026
De vraag blijft
De vraag is gebleven. Een financier, een klant of een raad wil nog steeds weten wat je werk verandert. Wat we uit deze geschiedenis leren, is dat regels komen en gaan. Ook de plek waar ze worden gemaakt, verschuift. Begrijp je zelf wat je werk doet, dan hoef je niet op de volgende regel te wachten.
We weten ook niet hoe het verdergaat. Misschien komt er weer een golf van regels, misschien juist niet. Daarom beginnen we liever bij die ene vraag dan bij het nieuwste raamwerk.
Bronnen (3)
Zo telden we: We namen elk raamwerk, elke standaard, methode, wet, keurmerk en index uit de alfabetsoep, uit de referentiedata van Fabrik en uit de bronnencatalogus van Fabrik. Ook een paar namen uit het artikel zelf telden mee. Per naam zochten we het jaar waarin die voor het eerst verscheen, het land waar die werd gemaakt en de taal van de eerste versie. Bij een organisatie telt de zetel van toen, bij een verdrag de plaats waar het werd gesloten. Interne lijsten van Fabrik telden niet mee. De lijst met bronnen staat onder het artikel.
- Bron
- Herkomst van de raamwerken uit de alfabetsoep, de referentiedata en de bronnen van Fabrik
- Uitgever
- Narrate
- Geraadpleegd
- 22 oktober 2026
- Status
- Eigen tellingDit cijfer telden we zelf.
The more any quantitative social indicator is used for social decision-making, the more subject it will be to corruption pressures and the more apt it will be to distort and corrupt the social processes it is intended to monitor.
p. 85 - Bron
- Assessing the impact of planned social change
- Uitgever
- Donald T. Campbell, Evaluation and Program Planning 2(1)
- Datum
- 1979
- Geraadpleegd
- 22 oktober 2026
- Status
- GecontroleerdWe lazen de bron zelf en namen er een letterlijk citaat uit over.
- Bron
- Richtlijn (EU) 2026/470 (Omnibus I), wijziging van de CSRD en de CSDDD
- Uitgever
- Europees Parlement en Raad van de Europese Unie
- Datum
- 26 februari 2026
- Geraadpleegd
- 21 oktober 2026
- Status
- Nog niet gecontroleerdDe bron staat in ons register, maar we namen er nog geen citaat uit over.
Bronnen bij het tijdpad
Elk moment op het pad heeft een eigen bron. De raamwerken staan in het jaar waarin ze voor het eerst verschenen, volgens hun eigenaar.
- 1961De OESO richt de DAC op, voor ontwikkelingshulp
- 1972De Club van Rome: grenzen aan de groei
- 1987VN-rapport Our Common Future
- 1997Het Global Reporting Initiative begint
- 2000Acht millenniumdoelen
- 2005Verklaring van Parijs: sturen op resultaat in de hulp
- 2006Principles for Responsible Investment
- 2009Global Impact Investing Network en IRIS
- 2014Europese richtlijn over niet-financiële informatie
- 2015Zeventien duurzame ontwikkelingsdoelen en het akkoord van Parijs
- 2019SFDR, Europese regels voor duurzaam geld
- 2022De CSRD wordt aangenomen
- 2024De CSDDD over gepaste zorg in de keten
- 2026Omnibus: de CSRD alleen nog voor de grootste bedrijven
Alle raamwerken met jaar, land en taal
356 raamwerken uit de alfabetsoep, de referentiedata en de bronnen van Fabrik, en dit artikel. Bij elk staat het jaar waarin het voor het eerst verscheen, het land waar het werd gemaakt en de taal van de eerste versie. Een ± staat bij een jaar dat we schatten.
Lees verder
- Alle raamwerken op een rij
- De tussenruimte
- Tussenmensen
- Van M&E tot MEALP
- Van krekels tot een stadion: zeven jaar met Impact Hub Amsterdam
- Spreken de standaarden eindelijk dezelfde taal?
Wil je weten waar jouw organisatie in dit verhaal staat? Dan praten we graag met je.